Afgevuld

20 oktober 2012

En weer ben in erin getrapt. Het begon allemaal zo onschuldig, een autorit van een halve dag om bij m’n liefjes te kunnen zijn. Flesje kraanwater mee –check- appeltje mee –check- zelfgesmeerde boterham mee –check- zoete biologische worteltjes om te knabbelen. Check, check check.

De herfstzon zette de wereld in een gouden gloed, de radio babbelde wat en mijn humeur was niet stuk te krijgen. Sterk en standvastig was ik, en zou ik blijven.

Na twee uur sturen vroeg m’n maag om een hapje. Ha, dat kon geregeld worden. Boterhammetje! De eigenhandig in elkaar gedraaide baba ganoush –precies rokerig genoeg, precies zacht genoeg, precies genoeg peperigheid- combineerde wonderwel met de knapperige komkommer en het verse desembrood. Zo. Maag blij, ik blij, aarde blij. En verder ging de reis.

Een uur later belandden we dan toch in De Gevarenzone. Tijd voor een plasje en een portie cafeïne. De zagende tune van Jaws begon in m’n hoofd te dreunen zodra ik de auto stilzette. Met afgewende blik stiefelde ik het wegrestaurant binnen, rechtstreeks naar de sanitaire voorzieningen. Opgelucht kon ik een paar minuten later m’n cafeïne scoren. En Toen Ging Het Mis.

Daar waren ze. Lonkend met hun driedubbel geraffineerde suikers en synthetische toevoegingen die geen naam mogen hebben. Met hun opgeschilderde gezichten vol gebakken lucht. Hun geur rechtstreeks uit een spuitbus, waarop ongetwijfeld staat: vers gebak. Chocoladetaartjes. En ze waren niet alleen. Er waren ook vanillemuffins, glimmende appelpunten en koortsig uitziende vruchtengebakjes. Neem mij, neem ons, neem neem neem….. Maar ik kon ze ontwijken, nog net.

Snel tapte ik een dubbele espresso en sprintte richting kassa. Bijna was het gelukt. Totdat de geur van iets te lang gesmolten fabriekskaas, met daarin een vleugje oregano, een vleugje, meer was het niet, via mijn neus in het ongetwijfeld primitiefste deel van mijn hersenen aankwam en daar het alarm aanzette.

De verveelde vrouw van middelbare leeftijd achter de counter had het eerder in de gaten dan ikzelf: ‘Salami of funghi?’ “Uhh, funghi graag, meteen opeten.”

Met een nauwelijks hoorbaar pufje loste mijn masker van vrouw-die-goed-voor-zichzelf-zorgt op in het niets. Het water liep me in de mond. Weer sprintte ik richting kassa, nu om het stuk pizza niet af te laten koelen. Bijna hijgend van begeerte liet ik me op de eerste de beste lege stoel neervallen en ik hapte…

…in een lauw stuk karton met lijm. Zout en vet en zuur van teveel tomatenpuree. De funghi veranderden als bij toverslag in slappe champignons. Van oregano geen spoor. Toch werkte ik het prefab-voer manmoedig naar binnen. Ik ging me niet laten kennen. Maar al na de derde hap verspreidde de teleurstelling zich als een slok bier na een zware klim door mijn lijf. Afgevuld en uitgeblust bereikte ik even later de auto, de herfstzon verblindde me en op de radio ging het over welvaartsziektes. Ik draaide het raampje open en slingerde het appeltje de ruimte in. Achter de worteltjes aan.

 

Reacties zijn gesloten.